Packet
Een packet is in de wereld van computernetwerken een specifiek geformatteerde eenheid van gegevens die door een pakketgeschakeld netwerk verstuurd wordt. Computer communicatie die verloopt via methodes die geen packets ondersteunen, zoals traditionele punt-naar-punt telecommunicatie verbindingen, versturen data ongefomatteerd, als een reeks bytes, karakters of zelfs simpelweg als een reeks bits. Als de data in packets gegroepeerd wordt zal de bitrate van de gebruikte communicatiedrager beter verdeeld worden over verschillende gebruikers dan in het geval van een circuitgeschakeld netwerk.
De indeling van een packet[bewerken]
Een packet bestaat uit twee soorten data: versturingsgegevens (vergelijkbaar met de adressering op een envelop) en de gebruikersgegevens (de inhoud van de envelop), ook wel bekend onder de term payload.
De versturingsgegevens zijn de gegevens die nodig zijn om het packet op zijn bestemming te krijgen; onder meer de bron- en het bestemmingsadres, foutmeldingscodes zoals checksums, en volgorde informatie. Men vindt meestal de versturingsgegevens in het begin (de aanhef, header), en aan het eind (de voet, trailer) van een packet, en de gebruikersgegevens daartussen.
IPv4-packet[bewerken]
IP-packets bestaan uit twee hoofddelen: de enveloppe (header) en de daadwerkelijk vervoerde data (payload). In het geval van IPv4 ziet de enveloppe er als volgt uit:
- 4 bits met versie-informatie, (in de praktijk of het een IPv4- of IPv6-packet betreft,
- 4 bits met de Internet Header Length waarin de lengte van de enveloppe aangegeven wordt in veelvouden van 4 bytes (bijvoorbeeld 5 betekent 20 bytes),
- 8 bits om de Type of Service, mee aan te duiden. Dit stukje wordt ook wel omschreven als de Quality of Service (QoS), hetgeen gebruikt kan worden om pakketjes prioriteit te geven,
- 16 bits die de lengte van het gehele packet in bytes aangeven,
- 16 bits met een identificatietag, die gebruikt worden om een gefragmenteerd packet te reconstrueren,
- 3 bits die een nul kunnen bevatten, een teken om mee aan te geven of het packet al dan niet gefragmenteerd kan worden (DF: Don't fragment), en een teken dat aangeeft of er meerdere fragmenten van hetzelfde packet verwacht kunnen worden (MF: More Fragments),
- 13 bits om de fragment-offset mee aan te geven, dit veld wordt gebruikt om de positie van een fragment in het originele packet mee aan te geven,
- 8 bits met de levensduur Time to live (TTL),
- 8 bits om het gebruikte protocol (TCP, UDP, ICMP etc.) mee aan te geven. In geval van het tunnelen van IPv6 in IPv4 wordt hier het protocolnummer 41 gegeven.
- 16 bits voor het enveloppecontrolecijfer (Header Checksum),
- 32 bits voor het bron-IP-adres,
- 32 bits voor het bestemmingsadres.
